Wat is het verband tussen vitamine D en weerstand?

Er is een directer verband tussen vitamine D en weerstand dan de meeste mensen denken. Deze vitamine, of feitelijk een pro-hormoon, is niet alleen belangrijk voor sterke botten, maar is ook van rechtstreekse invloed op hoe je immuunsysteem functioneert: van de eerste afweer tegen indringers tot het onderdrukken van lang aanhoudende ontstekingsreacties. Wie regelmatig kampt met verkoudheden of een griep die maar niet overgaat, doet er goed aan om ook naar de D-status te kijken.

Hoe wordt vitamine D eigenlijk actief in je lichaam?

D-vitamine wordt actief via twee opeenvolgende omzettingsstappen. Eerst zet de lever de vitamine D die je aanmaakt of binnenkrijgt om in calcidiol, de vorm die wordt gemeten bij bloedonderzoek. Daarna zetten vooral de nieren dat calcidiol om in calcitriol, de actieve vorm die zich daadwerkelijk aan receptoren in je lichaam kan binden. Pas na deze laatste stap is D-vitamine functioneel bruikbaar voor je cellen.

Dat maakt een goed werkende lever en nieren een randvoorwaarde voor een werkzame vitamine D-status. Mensen met een verminderde nierfunctie, wat vaker voorkomt op hogere leeftijd, hebben een minder efficiënte omzetting. Zij kunnen dus een tekort aan actieve D-vitamine hebben, zelfs wanneer de bloedwaarde van calcidiol op zich redelijk in orde lijkt.

Wat is de functie van vitamine D in je immuunsysteem?

D-vitamine is van invloed op twee delen van je afweer: de snelle, aangeboren reactie en de langzamere, aanpasbare reactie. Bijna elke immuuncel draagt een receptor voor D-vitamine, wat verklaart waarom het effect zich zo breed door het immuunsysteem verspreidt.

Bij de aangeboren afweer, de eerste aanvalslinie tegen indringers, stimuleert D-vitamine de aanmaak van cathelicidine. Dit eiwit kan bacteriën en virussen rechtstreeks beschadigen en vormt daarmee een belangrijke barrière tegen infecties. Onderzoek naar luchtweginfecties bevestigt dit beeld: mensen met een lage D-status lopen een hoger risico op infecties dan mensen met een goede status.

Bij het deel van het immuunsysteem dat leert van eerdere blootstelling aan ziekteverwekkers, werkt D-vitamine juist regulerend. Het remt overactieve T-cellen af en stimuleert regulerende T-cellen, die ontstekingsreacties in balans houden. Bij onvoldoende D-vitamine verschuift die balans richting meer ontsteking. Dit verklaart waarom een langdurig tekort in verband wordt gebracht met chronische ontstekingsklachten en auto-immuunaandoeningen.

Heeft D-vitamine ook invloed op je genen?

Ja, en die invloed reikt verder dan veel mensen verwachten. De D-receptor bindt aan DNA en kan de expressie van naar schatting honderden genen beïnvloeden, waaronder genen die betrokken zijn bij immuunregulatie. De genen zelf veranderen daarbij niet. Wel verschuift de mate waarin ze worden afgelezen, en dat is precies wat een epigenetisch mechanisme inhoudt.

Wie hier dieper in wil duiken, vindt meer achtergrond op onze pagina over epigenetische geneeskunde. Voor dit verhaal is vooral relevant dat een D-tekort zo doorwerkt tot diep in de celbiologie, ver voorbij het beeld van een simpele voedingsstof die je botten sterk houdt.

Wat is het verschil tussen D-vitamine uit zonlicht en uit voeding?

Het belangrijkste verschil zit in de efficiëntie: blootstelling aan zonlicht levert doorgaans veel meer D-vitamine op dan voeding.

Via de huid zet UVB-straling het stofje genaamd 7-dehydrocholesterol om in D3. Dit is verreweg de meest efficiënte route, maar wel eentje die sterk afhankelijk is van omstandigheden. Huidskleur speelt hierbij een rol: hoe meer pigment de huid bevat, hoe meer zonlicht er nodig is om dezelfde hoeveelheid D-vitamine aan te kunnen maken. Leeftijd is ook van invloed op de omzetting, omdat de huid met de jaren minder efficiënt gaat functioneren in deze omzetting. Ook de Nederlandse breedtegraad speelt een rol: van ongeveer oktober tot april staat de zon hier te laag voor voldoende UVB-straling, ongeacht hoeveel tijd iemand buiten doorbrengt.

Voeding is een veel bescheidener leverancier van D-vitamine. De belangrijkste bronnen zijn vette vis, eidooier en sommige paddenstoelensoorten, aangevuld met verrijkte producten zoals margarine en sommige zuiveldranken. Deze route levert meestal dezelfde vorm als de huid, namelijk D3. Plantaardige bronnen leveren D2, een vorm die minder effectief wordt omgezet in de actieve vorm.

In de praktijk bouwt het lichaam via zonlicht in de zomer vaak een voorraad op die de wintermaanden gedeeltelijk overbrugt. Voeding alleen is voor de meeste mensen onvoldoende om het hele jaar door een goede vitamine D-status te behouden, zeker in een land als Nederland.

Welke voedingsstoffen werken samen met vitamine D?

D-vitamine functioneert niet als op zichzelf staande stof. Verschillende andere voedingsstoffen zijn nodig om het proces goed te laten verlopen. Een tekort daaraan kan het effect van vitamine D flink beperken.

Magnesium is wellicht de belangrijkste en tegelijk ook de meest onderbelichte partner. De enzymen die D helpen omzetten naar de actieve vorm, hebben magnesium nodig om hun werk te kunnen doen. Bij een tekort aan magnesium blijft een deel van de aangemaakte of ingenomen D-vitamine onbenut. Daardoor hebben sommige mensen met een op het oog goede vitamine D-inname toch lage bloedwaarden.

Vitamine K2 speelt een andere, minstens zo belangrijke rol: calciumregulatie. D-Vitamine verhoogt de opname van calcium uit de darm. K2 zorgt er vervolgens voor dat de calcium op de juiste plek terechtkomt, in botten en tanden in plaats van in bloedvaten en weke delen. Bij onvoldoende K2 kan een hogere vitamine D-inname dus juist een ongewenst effect hebben op de lange termijn.

Zink is nodig voor de aanmaak en werking van de D-receptor zelf. Bij een zinktekort reageren cellen minder goed op D-vitamine, ook wanneer de bloedwaarde op papier voldoende is. Ook omega-3 vetzuren verdienen een plek in dit rijtje: ze werken via een ander mechanisme ontstekingsremmend, en de combinatie met D-vitamine versterkt de regulatie van immuunreacties.

Wie loopt een verhoogd risico op een tekort?

Bepaalde groepen mensen lopen een hoger risico op een D-tekort dan gemiddeld. Ouderen vormen hier de grootste groep, om twee redenen: de huid wordt minder efficiënt in de aanmaak via zonlicht, en bovendien kampen zij vaak met een afnemende nierfunctie, waardoor de laatste omzettingsstap wordt bemoeilijkt.

Mensen met een donkere huidskleur hebben meer zonlicht nodig voor dezelfde hoeveelheid D-vitamine, wat in een land met beperkte zonnestraling zoals Nederland een reëel risico is. Ook mensen die weinig buiten komen, bijvoorbeeld door binnenwerk of beperkte mobiliteit, lopen een verhoogd risico op een tekort.

Overgewicht speelt ook een rol. Vitamine D is vetoplosbaar en wordt bij een hoger vetpercentage deels opgeslagen in vetweefsel, waardoor minder vitamine D beschikbaar is in de bloedbaan. Tot slot lopen mensen met chronische lever- of nieraandoeningen een hoger risico, precies omdat deze organen de omzetting naar de actieve vorm verzorgen.

Wat zeggen bloedwaarden precies?

Wanneer je bloedonderzoek laat uitvoeren, wordt de waarde van calcidiol gemeten, uitgedrukt in nanomol per liter. Grofweg wordt gesproken van een tekort onder de 50 nmol/l, een grenswaarde tussen 50 en 75 nmol/l. Een voldoende status geldt vanaf 75 nmol/l, al hanteren laboratoria onderling licht verschillende afkappunten. Deze waarde geeft aan hoeveel vitamine D beschikbaar is om te worden omgezet in de actieve vorm, maar zegt natuurlijk niets over hoe goed die omzetting daadwerkelijk verloopt.

Dat is precies waarom een volledig beeld meer vraagt dan alleen de calcidiolwaarde. Magnesium en eventueel zink geven aanvullend inzicht in of het lichaam die D-vitamine ook daadwerkelijk kan omzetten en benutten. Twee mensen met exact dezelfde calcidiolwaarde kunnen daardoor een heel verschillende functionele D-status hebben.

Wat kun je met deze informatie in de praktijk?

Herken je klachten als vaker verkouden zijn dan je omgeving, traag genezende wondjes of aanhoudende vermoeidheid ondanks voldoende slaap? Dat kan wijzen op een tekort, al zijn deze signalen evengoed door andere oorzaken te verklaren. Bloedonderzoek blijft het enige betrouwbare startpunt om dat vast te stellen.

Een orthomoleculair consult brengt daarom altijd het volledige samenspel van voedingsstoffen in kaart, in plaats van uitsluitend naar de vitamine D-waarde te kijken. Meer weten over hoe zo’n traject eruitziet? Op onze pagina over orthomoleculaire geneeskunde lees je hoe bloedonderzoek en een persoonlijk voedingsstoffenplan samenkomen

Twijfel je of jouw klachten verband houden met een tekort? Plan een gratis 15-minuten informatiegesprek en bespreek je situatie vrijblijvend met ons team.

    Gratis 15-minuten informatiegesprek





    Deel dit artikel

    Gerelateerde Artikelen