Gezondheid

Long Covid en complementaire zorg: welke sporen naar herstel worden verkend?

Mark 14 January 2026 5 weergaven
Terwijl Long Covid (ook wel post-COVID-19 condition) in de reguliere zorg steeds beter wordt herkend, blijft de praktijk weerbarstig: klachten verschillen sterk per persoon, biomarkers ontbreken vaak en een “één-behandeling-voor-iedereen” bestaat niet. De Wereldgezondheidsorganisatie beschrijft Long Covid als klachten die meestal drie maanden na een (waarschijnlijke of bevestigde) SARS-CoV-2-infectie ontstaan, minstens twee maanden aanhouden en niet beter verklaard worden door een andere diagnose.

Terwijl Long Covid (ook wel post-COVID-19 condition) in de reguliere zorg steeds beter wordt herkend, blijft de praktijk weerbarstig: klachten verschillen sterk per persoon, biomarkers ontbreken vaak en een “één-behandeling-voor-iedereen” bestaat niet. De Wereldgezondheidsorganisatie beschrijft Long Covid als klachten die meestal drie maanden na een (waarschijnlijke of bevestigde) SARS-CoV-2-infectie ontstaan, minstens twee maanden aanhouden en niet beter verklaard worden door een andere diagnose. (Wereldgezondheidsorganisatie)

In dat gat ontstaat ruimte voor complementaire zorg: niet als vervanging van huisarts, specialist of revalidatiearts, maar als aanvullende aanpak—met nadruk op energiehuishouding, autonoom zenuwstelsel, herstel van belastbaarheid, slaap, ontstekingsbalans en kwaliteit van leven.

Waarom complementair? Omdat Long Covid waarschijnlijk meerdere mechanismen kent

Onderzoekers beschrijven Long Covid steeds vaker als een cluster van overlappende processen. Denk aan immuundisregulatie en laaggradige ontsteking, mogelijke virale persistentie of restproducten, ontregeling van vaten en stolling, autonoom zenuwstelselproblemen (dysautonomie) en verstoringen in de cellulaire energiehuishouding (mitochondriën). (PMC)

Dat is ook waarom veel behandelsporen in de praktijk “symptoom-gericht én systeem-gericht” zijn: klachten verminderen én het lichaam weer in een stabielere regelstand krijgen.

De complementaire behandelsporen die je het vaakst terugziet

1) Energie-management en herstel van belastbaarheid (pacing, PEM-proof opbouwen)

Een groot struikelblok bij Long Covid is post-exertional malaise (PEM): verergering van klachten na fysieke, mentale of emotionele inspanning, soms pas 12–48 uur later en dagenlang. Daar botst “gewoon doortrainen” regelmatig op een muur. In de (para)medische literatuur verschijnen daarom steeds meer voorstellen om inspanning te doseren op basis van PEM-ernst, met pacing als fundament. (PMC)

Complementair betekent hier vaak:

• werken met energiebudgetten (hartslag/HRV, rust-werk ratio, prikkelmanagement);

• zacht opbouwen (mobiliteit, adem, licht krachtwerk) i.p.v. agressieve conditietraining;

• slaapoptimalisatie en herstelmomenten als “therapie”, niet als bijzaak.

2) Autonoom zenuwstelsel: adem, ontspanning, HRV en (in onderzoek) vagus-stimulatie

Bij een subgroep spelen dysautonomie-achtige klachten: hartkloppingen, orthostatische intolerantie, wisselende ademhaling, “wired but tired”. Complementaire trajecten zetten dan in op:

• ademtherapie/breathwork (rustiger CO₂-tolerantie, ademritme, ontspanning);

• mindfulness/acceptance-based begeleiding (stress-as dempen, coping, slaap);

• somatische technieken (prikkelverwerking, veiligheidssignalen in het lichaam).

Er zijn ook eerste klinische signalen rond transcutane vagus nerve stimulation (tVNS), met pilotdata die om grotere RCT’s vragen. Belangrijk: dit is nog géén bewezen standaardzorg, en het veld kent ook commerciële apparaten met te grote claims. (PubMed)

3) Intermittent hypoxic–hyperoxic training (IHHT): “hoogteprikkel” in revalidatiecontext

Een opvallend spoor dat tussen regulier en complementair in hangt, is IHHT (intermitterende hypoxie/hyperoxie-training). In een gecontroleerde pilotsetting (als add-on bij multidisciplinaire revalidatie) werd verbetering gezien in functionele capaciteit, symptoomlast en kwaliteit van leven. Het is veelbelovend, maar vraagt nog om bredere bevestiging en goede patiëntselectie. (PubMed)

4) Ozontherapie (major autohemotherapy): van hype naar eerste trials—maar nog geen consensus

Ozon-autohemotherapie wordt internationaal aangeboden met claims rond zuurstofbenutting, oxidatieve stress en ontstekingsmarkers. De literatuur is gemengd: voor acute COVID zijn reviews voorzichtig, en voor Long Covid/PASC zijn er inmiddels eerste gerandomiseerde studies (pilot RCT’s) die effect signaleren—maar het bewijs is nog jong, heterogeen en sterk afhankelijk van protocol en uitkomstmaten. (ScienceDirect)

Praktisch betekent dit journalistiek gezien: interessant als onderzoeks- en praktijkspoor, maar (nog) niet something om als “gamechanger” te verkopen.

5) Off-label medicatie die vaak in complementaire trajecten opduikt (altijd via arts)

Sommige complementaire klinieken werken samen met voorschrijvend artsen. Dan zie je o.a.:

• Low Dose Naltrexone (LDN): in NL wordt het ook besproken als off-label optie bij post-COVID, met nadruk op lage bewijskwaliteit maar een relatief gunstig veiligheidsprofiel bij goede begeleiding. (C-support)

• Antihistaminica (H1/H2) bij verdenking op histamine/mastcel-achtige klachten: er zijn hypotheses en beperkte klinische signalen, maar RCT-bewijs is schaars en niet eenduidig. (PMC)

• Antivirale strategieën (bijv. nirmatrelvir/ritonavir) worden onderzocht; een bekende 15-daagse trial liet geen duidelijke symptoomwinst zien t.o.v. placebo, wat onderstreept dat “virusremmen” waarschijnlijk niet voor iedereen dé sleutel is. (Reuters)

6) Acupunctuur en mind-body interventies: bescheiden, maar relevant voor symptoomlast

Voor hardnekkige vermoeidheid, slaap en stressgerelateerde componenten worden acupunctuur en mindfulness-programma’s onderzocht. Er zijn pilot-RCT’s en haalbaarheidsstudies, maar (nog) geen definitieve conclusies voor alle patiënten. (Frontiers)

7) Supplementen, NAD+ en “mitochondriële support”: plausibel mechanisme, wisselende onderbouwing

Veel patiënten herkennen zich in het idee van “energiecrash” en mitochondriële ontregeling. Reviews beschrijven inderdaad aanwijzingen voor mitochondriale dysfunction bij Long Covid. (PMC)

Maar: van mechanisme naar bewezen supplementprotocol is een grote stap. In de praktijk betekent dit dat supplementen/NAD+ vooral ondersteunend worden ingezet (voedingstekorten aanvullen, slaap/ritme ondersteunen, herstel faciliteren), idealiter met monitoring en zonder megadoseringen.

Complementair naast regulier: een realistisch herstelpad

Complementaire zorg kan waardevol zijn, maar bij Long Covid is veiligheid en selectie essentieel.

Een nuchtere conclusie die je steeds vaker hoort in post-COVID-netwerken is: herstel is meestal modulair. Niet één interventie, maar een stapel kleine winstpunten—pacing, slaap, autonoom herstel, gerichte revalidatie, psychologische ondersteuning, en soms een zorgvuldig gekozen add-on

De beste uitkomst zie je vaak wanneer complementaire aanbieders:

1. strak screenen op PEM/dysautonomie,

2. meetbaar werken (symptoomscores, inspanningsrespons, slaapdata),

3. samenwerken met huisarts/specialist,

4. en eerlijk blijven over de stand van bewijs.

Deel dit artikel